In 2025 sloot het Europees Hof 8.300 dossiers af voordat ze aan een rechterlijke formatie werden toegewezen en verklaarde het 74,1% van de rechterlijk afgedane verzoekschriften niet-ontvankelijk. De procedure in Straatsburg valt niet los te zien van de juridische strategie.
Een sterke mensenrechtelijke grief volstaat niet om een onderzoek door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens te verkrijgen.
Voordat Straatsburg onderzoekt of een Staat het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens heeft geschonden, moet een verzoekschrift eerst een veeleisende procedure- en ontvankelijkheidstoets doorstaan. De eigen statistieken van het Hof over 2025 tonen aan hoe beslissend die fase kan zijn.
In 2025 werden 8.300 dossiers administratief afgesloten voordat ze aan een rechterlijke formatie werden toegewezen. Van die dossiers werd 93% afgesloten omdat ze niet voldeden aan artikel 47 van het Reglement van het Hof, dat de inhoud van een individueel verzoekschrift regelt. De overige dossiers werden afgesloten omdat de verzoekers binnen de door de griffie gestelde termijn geen verzoekschriftformulier hadden ingediend.
Dat cijfer verdient nadruk:
93% van de dossiers die in dit stadium vóór de rechterlijke behandeling werden afgesloten, voldeed niet aan artikel 47.
In die zaken is het niet gekomen tot een rechterlijke beoordeling van de vraag of de beweerde schending van het Verdrag gegrond was.
En wie deze eerste procedurele fase met succes doorloopt, staat pas aan het begin.
In hetzelfde jaar werden 38.573 verzoekschriften bij rechterlijke beslissing afgedaan. Daarvan werden er 28.589 — 74,1% — niet-ontvankelijk verklaard. Over slechts 7.011 verzoekschriften werd bij arrest beslist; de overige werden hoofdzakelijk doorgehaald of afgedaan via een minnelijke schikking of een eenzijdige verklaring.
Een procedure voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens mag dus niet worden beschouwd als louter een bijkomend beroep na de nationale procedure.
Straatsburg heeft zijn eigen bevoegdheid, procedureregels, ontvankelijkheidsvoorwaarden en rechtspraak.
Een verzoeker kan jarenlang in eigen land hebben geprocedeerd en de uitkomst kennelijk onrechtvaardig vinden. Dat levert nog niet automatisch een ontvankelijke verdragsgrief op.
De eerste vraag is of de grief betrekking heeft op een door het Verdrag beschermd recht.
De tweede is of aan de Straatsburgse ontvankelijkheidsvoorwaarden is voldaan.
Verzoekers moeten in de regel de doeltreffende nationale rechtsmiddelen uitputten voordat zij zich tot Straatsburg wenden.
Maar aan dat vereiste is niet voldaan louter omdat een zaak de hoogste nationale rechter heeft bereikt.
De kern van de verdragsgrief moet in de regel op nationaal niveau zijn aangevoerd op een wijze die de nationale autoriteiten de gelegenheid bood op de beweerde schending in te gaan.
Een partij kan dus de nationale procedurele weg volledig doorlopen en toch de specifieke mensenrechtelijke grief die zij later in Straatsburg aanvoert, niet hebben uitgeput.
Dat onderscheid kan doorslaggevend zijn.
Het Verdrag voorziet bovendien in beginsel in een termijn van vier maanden vanaf de relevante definitieve nationale beslissing.
Het is niet altijd eenvoudig die beslissing te bepalen.
Dat kan afhangen van de vraag welke rechtsmiddelen doeltreffend waren, welke rechtsmiddelen moesten worden uitgeput en welke specifieke verdragsgrief vervolgens aan het Hof wordt voorgelegd.
Wie tot de laatste weken wacht om de Straatsburgse dimensie van de zaak te onderzoeken, kan daardoor op ernstige moeilijkheden stuiten.
De periode onmiddellijk na de definitieve nationale beslissing zou veeleer moeten worden benut om na te gaan of er wel een levensvatbare verdragszaak bestaat.
Een ander terugkerend probleem is de poging om het Europees Hof iets voor te leggen dat in wezen neerkomt op een beroep tegen de beoordeling van het recht of van het bewijs door de nationale rechters.
Het Hof is geen bijkomende nationale beroepsinstantie.
Het beslist in de regel niet of een nationale rechter het nationale recht correct heeft uitgelegd. De grief moet aantonen waarom de procedure of de uitkomst ervan een door het Verdrag beschermd recht raakt.
Een geschil over bewijs kan onder bepaalde omstandigheden vragen doen rijzen onder artikel 6. Een huiszoeking kan artikel 8 raken. Een vrijheidsberoving kan artikel 5 raken. Een verbeurdverklaring kan vragen doen rijzen onder artikel 1 van Protocol nr. 1 en, in voorkomend geval, onder artikel 8.
Maar de verdragsvraag moet nauwkeurig worden omschreven.
Een artikel louter aanhalen volstaat niet.
Het belang van artikel 47 toont aan dat de procedure in Straatsburg niet los kan worden gezien van de juridische strategie.
De feiten moeten samenhangend worden uiteengezet. De beweerde schendingen moeten worden aangeduid. De relevante nationale beslissingen en de stavingsstukken moeten worden overgelegd. De uitputting van de rechtsmiddelen en de naleving van de termijn moeten worden aangetoond.
Het verzoekschrift moet het Hof in staat stellen om, op basis van de stukken die hem naar behoren zijn voorgelegd, te begrijpen wat er is gebeurd en waarom dat een verdedigbare verdragsvraag doet rijzen.
Een belangrijke nationale zaak kan dus stranden om redenen die volledig losstaan van de ernst van het oorspronkelijke geschil.
Dat geldt in het bijzonder na complexe geschillen waarin strafprocedures, financiële onderzoeken, verbeurdverklaringen, huiszoekingen, commerciële belangen of aanzienlijke privévermogens aan de orde zijn.
Zodra de Luxemburgse procedure haar laatste doeltreffende nationale fase heeft bereikt, begint een andere juridische analyse.
Is er sprake van een verdedigbare schending van het Verdrag?
Werd de grief tijdens de nationale procedure opgeworpen en gehandhaafd?
Zijn de relevante rechtsmiddelen uitgeput?
Wordt de grief door de juiste verzoeker ingediend?
Is de termijn van vier maanden correct berekend?
En kan het verzoekschrift voldoen aan de vormvereisten van het Hof?
Just Rights Europe richt zich op die overgang van een afgeronde nationale procedure naar Europese mensenrechtenprocedures.
Niet elke zaak die op nationaal niveau werd verloren, moet naar Straatsburg worden gebracht.
Maar wanneer er een werkelijke verdragsvraag bestaat, mag die niet verdwijnen nog voordat een rechter ze ooit onderzoekt, omdat de procedure in Straatsburg niet goed werd begrepen of voorbereid.
Deze analyses vormen algemene informatie over het Verdragsrecht; zij vormen geen juridisch advies en doen geen advocaat-cliëntrelatie ontstaan.
Na de definitieve beslissing van het hoogste nationale rechtscollege kan een dossier rechtstreeks aan ons worden voorgelegd, door de cliënt of door diens advocaat.