Een verbeurdverklaring die naar nationaal strafrecht geldig is, kan toch een toetsing aan artikel 8 vereisen. In Luxemburg onderzochten de appelrechters de wettelijke grondslag, het legitieme doel en de noodzakelijkheid, en de Cour de cassation keurde die analyse goed.
Verbeurdverklaring wordt vaak benaderd als een strafrechtelijke vraag: liet de wet de maatregel toe en kon het goed verbeurd worden verklaard?
Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens kan een ruimere analyse vereisen.
Een arrest van de Luxemburgse Cour de cassation van 27 maart 2025, nr. 53/2025 pénal, biedt daarvan een illustratie: de Cour de cassation keurde daarin de toetsing aan artikel 8 goed die de appelrechters hadden verricht.
De onderliggende procedure betrof veroordelingen wegens oplichting en witwassen. De oplichting was gepleegd ten nadele van de Caisse nationale de santé (CNS), de nationale ziekteverzekeringskas, die als derdebetaler optreedt en zich burgerlijke partij had gesteld. De Luxemburgse strafrechters hadden onder meer de verbeurdverklaring van de gezinswoning van de veroordeelde uitgesproken. Voor de Cour de cassation voerde de eiser tot cassatie één enkel middel aan, ontleend aan artikel 8 van het Verdrag: hij betoogde dat de verbeurdverklaring van zijn woning een onrechtmatige inmenging vormde in zijn recht op eerbiediging van zijn privé- en gezinsleven en van zijn woning, en dat de gezinswoning, als door artikel 8 beschermd goed, niet verbeurd kon worden verklaard.
Artikel 8 beschermt onder meer het recht op eerbiediging van de woning.
Dat onttrekt een gezinswoning niet aan verbeurdverklaring.
Het betekent wel dat, wanneer de tenuitvoerlegging een gezin dwingt zijn woning te verlaten, de maatregel een inmenging kan vormen in een door het Verdrag gewaarborgd recht.
De Luxemburgse rechters hebben dat beginsel uitdrukkelijk erkend.
Onder verwijzing naar de rechtspraak van Straatsburg, namelijk Aboufadda t. Frankrijk (besl.), nr. 28457/10, 4 november 2014, en Vrzić t. Kroatië, nr. 43777/13, 12 juli 2016, onderzocht de Cour d'appel, bij arrest van 7 juni 2024, of de verbeurdverklaring bij de wet was voorzien, een legitiem doel nastreefde en noodzakelijk was in een democratische samenleving.
De Cour de cassation oordeelde vervolgens dat artikel 8 correct was toegepast.
Dat is van belang.
Het ging niet alleen om de vraag of de Luxemburgse strafwetgeving de verbeurdverklaring toeliet.
Het Verdrag vereiste een onderzoek naar de aard en de rechtvaardiging van de inmenging.
Het arrest is bijzonder interessant omdat het verbeurdverklaarde goed niet de rechtstreekse opbrengst of het instrument van het misdrijf hoefde te zijn.
De Luxemburgse rechters steunden op de verbeurdverklaring bij equivalent van artikel 31, paragraaf 4, van het Strafwetboek (Code pénal). Deze waardeverbeurdverklaring kan worden uitgesproken wanneer de geïdentificeerde goederen niet volstaan om het voorwerp of de opbrengst van het misdrijf te dekken, en wordt ten uitvoer gelegd op alle goederen die aan de veroordeelde toebehoren, in casu op de goederen van beide veroordeelde echtgenoten. In de bewoordingen van de Cour d'appel hoeven de aldus getroffen goederen per definitie geen enkel verband met het misdrijf te hebben.
Dat maakt de evenredigheid des te belangrijker.
Een staat heeft er een legitiem belang bij te voorkomen dat daders de opbrengst van misdrijven behouden. De rechtspraak van Straatsburg erkent ook een brede internationale tendens naar doeltreffende mechanismen van verbeurdverklaring, met inbegrip van maatregelen die verder reiken dan rechtstreeks traceerbare criminele opbrengsten.
Maar krachtige handhavingsmechanismen blijven onderworpen aan de waarborgen van het Verdrag.
In de Luxemburgse zaak onderzocht de Cour d'appel de drie voorwaarden achtereenvolgens.
De verbeurdverklaring was bij de wet voorzien, namelijk in artikel 31 van het Strafwetboek.
De strijd tegen oplichting ten nadele van de CNS, het ontmoedigen van witwassen en het doel te verhinderen dat de veroordeelde het onrechtmatig verkregen vermogensvoordeel behoudt, werden aanvaard als legitiem doel: de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten in de zin van artikel 8 § 2.
Wat de noodzakelijkheid betreft, achtte de Cour d'appel de maatregel in dit geval evenredig. Daarbij steunde de Cour d'appel op de feitelijke omstandigheden rond het goed: het echtpaar woonde nog steeds in het huis, had het te koop gezet en onderhandelde met de CNS over de wijze van terugbetaling van de onrechtmatig verkregen bedragen. Op die grond stelde de Cour d'appel “in dit stadium” (à ce stade) geen schending van artikel 8 vast.
De Cour de cassation verrichtte geen eigen evenredigheidstoetsing; zij oordeelde dat de appelrechters artikel 8 correct hadden toegepast en verwierp het cassatieberoep.
De eiser kreeg dus geen gelijk op grond van artikel 8.
Maar het belang van het arrest ligt niet alleen in de uitkomst.
Het toont aan dat een verbeurdverklaring een toetsing aan artikel 8 van het Verdrag kan vereisen: in dit geval verricht door de appelrechters en goedgekeurd door de Cour de cassation.
Verbeurdverklaring kan ook de door artikel 1 van Protocol nr. 1 gewaarborgde bescherming van eigendom in het geding brengen.
Het Hof in Straatsburg verbiedt verbeurdverklaring of vermogensrecuperatie niet. Het aanvaardt dat staten doeltreffende instrumenten nodig hebben tegen fraude, corruptie, witwassen en andere ernstige misdrijven.
Een inmenging in het ongestoord genot van eigendom moet niettemin een billijk evenwicht tot stand brengen tussen het algemeen belang en de rechten van het individu.
Recente Straatsburgse rechtspraak blijft vragen onderzoeken zoals het verband tussen de goederen en het strafbare gedrag, de positie van derden, de reikwijdte van de wetgeving inzake verbeurdverklaring en de vraag of de nationale rechters een daadwerkelijke evenredigheidstoetsing hebben verricht.
Die vragen kunnen bijzonder belangrijk worden wanneer de verbeurdverklaring goederen treft die rechtmatig zijn verworven, in mede-eigendom worden gehouden of als gezinswoning dienen.
De ruimere les is eenvoudig.
Een nationale rechter kan een maatregel naar nationaal strafrecht rechtmatig als verbeurdverklaring kwalificeren.
Dat maakt het afzonderlijke onderzoek op grond van het Verdrag niet overbodig.
Was de inmenging rechtmatig?
Welk legitiem doel streefde zij na?
Was de maatregel noodzakelijk?
Hebben de nationale rechters de individuele gevolgen onderzocht?
Werd een billijk evenwicht in acht genomen?
De antwoorden hangen af van de concrete feiten.
Met het oog op een later verzoekschrift in Straatsburg is het belangrijk dat argumenten over evenredigheid niet pas worden bedacht nadat de nationale procedure is afgesloten.
De verdragsgrief moet in de regel voldoende voor de nationale rechters zijn aangevoerd.
Een zaak over verbeurdverklaring zou daarom niet alleen moeten worden onderzocht vanuit de bepalingen van het strafrecht, maar ook vanuit de verdragsrechten die door de maatregel kunnen worden geraakt.
Dat geldt in het bijzonder wanneer woningen, aanzienlijke vermogensbestanddelen, goederen in mede-eigendom of belangen van derden op het spel staan.
Het Luxemburgse arrest van 27 maart 2025 toont aan dat nationale strafrechtelijke handhaving en het Europese mensenrechtenrecht geen gescheiden werelden zijn.
Een verbeurdverklaring kan naar nationaal recht geldig zijn en toch een toetsing vereisen aan artikel 8 en, afhankelijk van de omstandigheden, aan de bescherming van eigendom.
Wanneer aanzienlijke vermogensbestanddelen op het spel staan, kan de verdragsvraag een van de centrale vragen van de zaak worden.
Deze analyses vormen algemene informatie over het Verdragsrecht; zij vormen geen juridisch advies en doen geen advocaat-cliëntrelatie ontstaan.
Na de definitieve beslissing van het hoogste nationale rechtscollege kan een dossier rechtstreeks aan ons worden voorgelegd, door de cliënt of door diens advocaat.