Belgische gevangenissen, artikel 3 en de cumulatieve toets

Op 18 augustus 2026 oordeelde het Hof van Cassatie dat de rechter, wanneer een toilet in een gedeelde cel enkel door een gordijn is afgescheiden, moet onderzoeken of andere detentieomstandigheden een cumulatief effect hebben. Detentieomstandigheden kunnen niet fragmentarisch worden onderzocht.

Op 18 augustus 2026 wees de vakantiekamer van het Belgische Hof van Cassatie een belangrijk arrest over detentieomstandigheden en artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

De zaak betrof een persoon in voorlopige hechtenis die een tweepersoonscel deelde met een andere gedetineerde. Het toilet bevond zich in de cel en was enkel door een gordijn van de leefruimte afgescheiden. Ook de maaltijden werden in de cel genuttigd.

Bij arrest van 6 augustus 2026 had de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Gent geen schending van artikel 3 vastgesteld. Het Hof van Cassatie vernietigde dat arrest gedeeltelijk en verwees de zaak naar de kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld. Uit de redenen die het arrest bevatte, bleek niet dat de appelrechters hadden onderzocht of andere detentieomstandigheden, in combinatie met de ontoereikende sanitaire privacy, een versterkend of cumulatief effect hadden dat de drempel van artikel 3 kon bereiken.

Het Hof van Cassatie stelde zelf geen schending van artikel 3 vast. Het arrest is echter van belang omdat het een essentieel Straatsburgs beginsel op een concrete situatie toepast:

Detentieomstandigheden moeten worden beoordeeld in het licht van hun cumulatieve effecten.

Sanitaire privacy maakt deel uit van de menselijke waardigheid

Het ontbreken van een behoorlijke afscheiding van een toilet in een gedeelde cel is niet louter een kwestie van comfort.

De rechtspraak van Straatsburg heeft sanitaire privacy herhaaldelijk aangemerkt als een belangrijk element van de beoordeling onder artikel 3.

Een gedetineerde verliest het recht op elementaire menselijke waardigheid niet doordat zijn vrijheid rechtmatig werd beperkt.

Wanneer gedetineerden een cel delen, is de wijze waarop de toiletvoorzieningen van de leefruimte zijn afgescheiden dus van belang.

Het Belgische Hof van Cassatie knoopte zijn analyse uitdrukkelijk aan bij de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Steunend op onder meer Vasilescu t. België bracht het in herinnering dat een toilet in een gedeelde cel dat enkel met een paravent, een gordijn of een lage wand is afgeschermd, niet aanvaardbaar is.

Maar één gebrekkige omstandigheid volstaat niet altijd

Tegelijk oordeelde het Hof niet dat een gordijn rond een toilet in elke zaak automatisch een schending van artikel 3 oplevert.

Met verwijzing naar Szafrański t. Polen stelde het dat het loutere feit dat een toilet niet volledig van de leefruimte is afgescheiden, niet noodzakelijk een schending van artikel 3 inhoudt. Of dat wel het geval is, hangt af van de aanwezigheid van andere detentieomstandigheden met een versterkend of cumulatief effect. In Szafrański zelf stelde het Europees Hof geen schending van artikel 3 vast, maar wel een schending van artikel 8.

Volgens de rechtspraak van Straatsburg wordt de drempel van artikel 3 beoordeeld in het licht van de detentieomstandigheden in hun geheel en van hun cumulatieve effecten. Relevante factoren zijn onder meer:

  • de persoonlijke leefruimte;
  • de duur van het verblijf in die omstandigheden;
  • de mogelijkheid om het toilet in alle privacy te gebruiken;
  • de hygiënische en sanitaire omstandigheden;
  • ventilatie, natuurlijk licht en lucht;
  • de wandeling in de openlucht;
  • de tijd buiten de cel en de activiteiten;
  • de gezondheid en het welzijn van de gedetineerde; en
  • het cumulatieve effect van die omstandigheden.

Het belang van het arrest ligt dus niet in het invoeren van een automatische regel, maar in de praktische gevolgen ervan: een rechter kan een dergelijke grief niet afwijzen zonder te onderzoeken of andere omstandigheden die grief versterken.

Omstandigheden die afzonderlijk de drempel niet bereiken, kunnen samengenomen vernederend worden.

Wat moet de nationale rechter concreet onderzoeken?

De benadering van het Hof van Cassatie vereist dat rechters verder kijken dan afzonderlijke kenmerken van een cel.

Voert een gedetineerde een gebrek aan privacy bij het toiletgebruik aan, dan moet de rechter onderzoeken of andere omstandigheden een versterkend of cumulatief effect hebben.

Het Hof van Cassatie heeft die omstandigheden niet opgesomd. Het kan bijvoorbeeld gaan om de tijd die de gedetineerde in de cel doorbrengt, de vraag of de maaltijden naast het toilet worden genuttigd en de beschikbare persoonlijke ruimte.

Dat is de kern van de cumulatieve toets.

Artikel 3 beschermt tegen de werkelijkheid van de detentie in haar geheel, en niet louter tegen afzonderlijke tekortkomingen die een voor een worden onderzocht.

Een Belgische rechtspraaklijn in ontwikkeling

Het arrest van augustus maakt deel uit van een ruimere ontwikkeling.

Het Hof van Cassatie heeft zich de voorbije jaren herhaaldelijk uitgesproken over artikel 3 en de detentieomstandigheden, meestal in zaken waarin de onderzoeksgerechten de voorlopige hechtenis of de vrijheidsberoving met het oog op uitlevering toetsen.

Eerdere beslissingen hadden al de bewijsmoeilijkheden behandeld waarmee gedetineerden worden geconfronteerd.

Een gedetineerde zal zelden beschikken over de officiële stukken die nodig zijn om elk aspect van overbevolking, celtoewijzing, personeelsbezetting, hygiëne of gevangenisorganisatie aan te tonen.

De bescherming die het Verdrag biedt, zou grotendeels theoretisch worden indien de bewijslast volledig zou rusten op een persoon wiens levensomstandigheden door de Staat worden beheerst.

Tegelijk tonen objectieve verslagen over een gevangenis niet noodzakelijk automatisch aan dat elke persoon die er gedetineerd is, het slachtoffer is geweest van een schending van artikel 3.

De individuele situatie blijft belangrijk.

Dat leidt tot een evenwichtige benadering:

Individuele beweringen moeten voldoende concreet zijn, maar zij moeten worden beoordeeld tegen de achtergrond van de objectieve werkelijkheid van de detentieomgeving.

Is die benadering verenigbaar met Straatsburg?

In beginsel wel.

Het Europees Hof houdt zelf rekening met de cumulatieve effecten van de detentieomstandigheden, zoals de Grote Kamer in herinnering bracht in Muršić t. Kroatië.

De persoonlijke ruimte is uiterst belangrijk, maar zij kan in wisselwerking staan met de sanitaire voorzieningen, de ventilatie, de bewegingsvrijheid, de wandeling in de openlucht, de gezondheidszorg en andere factoren.

Precies daarom is de cumulatieve benadering van belang.

Het risico ontstaat wanneer nationale rechters de detentie-ervaring opsplitsen in afzonderlijke onderdelen en besluiten dat geen enkel daarvan op zich ernstig genoeg is.

Daardoor kan de verdragsvraag volledig uit het oog worden verloren.

Vijf ontoereikende omstandigheden worden niet aanvaardbaar louter omdat elk ervan afzonderlijk wordt beoordeeld.

Een bijzonder belangrijk moment voor België

Het tijdstip van deze ontwikkeling is veelzeggend.

Drie weken na het cassatiearrest van augustus, op 8 september 2026, publiceerde het Europees Comité ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing (CPT) van de Raad van Europa zijn verslag over zijn periodieke bezoek aan België in mei 2025.

Dat verslag beschrijft ernstige en structurele problemen die de detentie in België treffen.

De verhouding tussen die objectieve vaststellingen van het CPT en de individuele analyse onder artikel 3 in procedures voor de Belgische rechters wordt nu bijzonder belangrijk.

Het CPT-verslag verdient een afzonderlijke bespreking.

Van Belgische detentiegeschillen naar Straatsburg

De recente rechtspraak van het Hof van Cassatie toont aan dat artikel 3 in detentiegeschillen in België geen bijkomstigheid is.

De Straatsburgse normen maken al deel uit van de nationale juridische toets.

Daardoor wordt het bijzonder belangrijk dat verdragsargumenten naar behoren worden opgeworpen en gehandhaafd.

Wanneer een grief op grond van artikel 3 concreet werd opgeworpen, het relevante bewijsmateriaal aan de nationale rechters werd voorgelegd en de definitieve nationale beslissing niettemin onverenigbaar lijkt met de Straatsburgse normen, kan het einde van de Belgische procedure het begin inluiden van een afzonderlijk onderzoek in het licht van het Verdrag.

De cruciale les van het arrest van augustus 2026 is dus eenvoudig:

Detentieomstandigheden mogen onder artikel 3 niet fragmentarisch worden onderzocht.

De menselijke waardigheid wordt beoordeeld aan de hand van het geheel van de omstandigheden waarin de persoon daadwerkelijk gedetineerd is.

Geselecteerde officiële en primaire bronnen

Meer België-analyses

← Alle België-analyses

Deze analyses vormen algemene informatie over het Verdragsrecht; zij vormen geen juridisch advies en doen geen advocaat-cliëntrelatie ontstaan.

Een vraag over de Verdragsdimensie van een Belgisch dossier?

Na de definitieve beslissing van het hoogste nationale rechtscollege kan een dossier rechtstreeks aan ons worden voorgelegd, door de cliënt of door diens advocaat.

Contacteer Ons