De les van Chaaban e.a. t. België: een cassatieberoep dat geen rechtsherstel kan bieden voor de specifieke verdragsgrief, stelt de termijn niet noodzakelijk uit. Een zaak kan in België nog hangende zijn terwijl de Straatsburgse klok al loopt.
Vier maanden klinkt eenvoudig.
Krachtens artikel 35 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens moet een verzoekschrift in beginsel binnen vier maanden na de relevante definitieve nationale beslissing bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens worden ingediend.
Maar een van de gevaarlijkste veronderstellingen bij het procederen in Straatsburg is dat de laatste uitspraak die op nationaal niveau werd gewezen, noodzakelijk de beslissing is vanaf welke die termijn begint te lopen.
Dat is niet zo.
De Belgische zaak Chaaban e.a. t. België (besl.), nr. 57273/16, 12 februari 2019, toont aan hoe ernstig de gevolgen kunnen zijn wanneer het aanvangspunt van die termijn niet wordt bepaald op de wijze waarop Straatsburg dat doet.
De zaak is voor Just Rights Europe bijzonder relevant: de verzoekers werden voor het Europees Hof vertegenwoordigd door de advocaat die Just Rights Europe heeft opgericht en leidt.
De zaak betrof het overlijden van een gedetineerde in de gevangenis van Vorst.
Tegen twee artsen die bij zijn behandeling betrokken waren, werd een strafprocedure ingeleid. Nadat zij in eerste aanleg waren veroordeeld, sprak het hof van beroep te Brussel hen op 26 februari 2016 vrij.
De verzoekers, die als burgerlijke partijen optraden, stelden cassatieberoep in bij het Belgische Hof van Cassatie.
Het openbaar ministerie deed dat niet.
Bij beschikking van 16 juni 2016 besliste het Hof van Cassatie om een procedurele reden tot niet-toelating van het cassatieberoep van de verzoekers.
Het verzoekschrift werd op 23 september 2016 in Straatsburg ingediend.
Op het eerste gezicht zou men kunnen aannemen dat de Straatsburgse termijn begon te lopen vanaf de beschikking van het Hof van Cassatie.
Het Europees Hof oordeelde anders.
De doorslaggevende vraag was wat het cassatieberoep van de verzoekers daadwerkelijk kon bereiken.
Omdat het door burgerlijke partijen was ingesteld, kon hun cassatieberoep betrekking hebben op hun burgerlijke belangen, maar kon het op zich de strafvordering na de vrijspraak niet heropenen.
Daarvoor was een cassatieberoep van het openbaar ministerie vereist.
Een dergelijk cassatieberoep was niet ingesteld.
Het Hof behandelde de grieven, die betrekking hadden op een overlijden in detentie, niet als een kwestie van loutere medische nalatigheid. Voor die verdragsgrieven vormde de cassatieprocedure die de verzoekers zelf hadden ingesteld, dan ook geen doeltreffend rechtsmiddel dat zij moesten uitputten.
Die conclusie had een onmiddellijk gevolg.
Wanneer een nationaal rechtsmiddel voor de betrokken verdragsgrief niet moet worden uitgeput, betekent het aanwenden ervan niet noodzakelijk dat de Straatsburgse klok later begint te lopen.
Het Europees Hof onderzocht wanneer duidelijk werd dat het openbaar ministerie geen cassatieberoep tegen de vrijspraak zou instellen.
Dat moment brak aan bij het verstrijken van de termijn van vijftien dagen waarover het openbaar ministerie beschikte om een dergelijk cassatieberoep in te stellen.
Het Hof berekende de verdragstermijn daarom vanaf 15 maart 2016, en niet vanaf de latere beschikking van het Hof van Cassatie.
Het verzoekschrift werd bijgevolg wegens laattijdigheid niet-ontvankelijk verklaard.
Chaaban werd beslecht onder de vroegere regel van zes maanden.
Wanneer de definitieve nationale beslissing op of na 1 februari 2022 werd genomen, beschikken verzoekers in de regel over slechts vier maanden.
De les is vandaag dus nog belangrijker.
Verzoekers moeten de doeltreffende nationale rechtsmiddelen uitputten voordat zij zich tot Straatsburg wenden.
Maar Straatsburg vereist niet dat elke denkbare nationale procedure wordt doorlopen.
Daardoor ontstaan twee tegengestelde risico's.
Een verzoeker die zich te vroeg tot Straatsburg wendt, riskeert een niet-ontvankelijkverklaring omdat een doeltreffend nationaal rechtsmiddel nog niet is uitgeput.
Maar een verzoeker die een procedure afwacht die Straatsburg niet doeltreffend acht, kan tot de vaststelling komen dat de verdragstermijn is blijven lopen.
De vragen zijn dus onlosmakelijk met elkaar verbonden:
Welk nationaal rechtsmiddel moet voor deze specifieke verdragsgrief worden uitgeput?
En vanaf welke beslissing begint de termijn van vier maanden te lopen?
Een nationale advocaat kan het procesdossier bekijken en zien:
Hangende in cassatie.
Een advocaat die in Straatsburg procedeert, moet zich afvragen:
Hangende met welk doel, en in staat om welk rechtsherstel te bieden?
Dat onderscheid is fundamenteel.
De chronologisch laatste nationale uitspraak en de relevante definitieve nationale beslissing in de zin van artikel 35 vallen niet noodzakelijk samen.
Een zaak kan nog door de Belgische rechtscolleges worden behandeld terwijl de Straatsburgse termijn al is beginnen te lopen.
Chaaban bevat nog een belangrijke waarschuwing.
De Belgische regering had de exceptie van laattijdigheid niet opgeworpen.
Het Europees Hof onderzocht die kwestie niettemin ambtshalve en verwierp het verzoekschrift.
Verzoekers kunnen er dus niet op rekenen dat de verwerende regering een termijnprobleem over het hoofd ziet.
Straatsburg kan dat probleem zelf vaststellen.
Chaaban toont aan hoezeer het procedurele denken in Straatsburg kan verschillen van de procedurele reflexen op nationaal niveau.
Een advocaat kan zich redelijkerwijs toespitsen op het feit dat de nationale procedure nog loopt.
Straatsburg stelt een andere vraag:
Biedt het hangende rechtsmiddel nog doeltreffend rechtsherstel voor de specifieke verdragsgrief?
Zo niet, dan kan de termijn al lopen.
De werkelijke vraag is dus niet louter:
Heb ik vier maanden?
Ze luidt:
Vier maanden vanaf wanneer?
Een zaak kan op nationaal niveau nog hangende zijn terwijl de Straatsburgse klok al loopt.
Deze analyses vormen algemene informatie over het Verdragsrecht; zij vormen geen juridisch advies en doen geen advocaat-cliëntrelatie ontstaan.
Na de definitieve beslissing van het hoogste nationale rechtscollege kan een dossier rechtstreeks aan ons worden voorgelegd, door de cliënt of door diens advocaat.