In 2025 behandelde het Europees Hof 255 verzoekschriften betreffende België; 232 daarvan werden niet-ontvankelijk verklaard of van de rol geschrapt. Straatsburg is geen voortzetting van de Belgische procedure: de uitputting van de rechtsmiddelen, de termijn en de omschrijving van de grief bepalen of de zaak ooit ten gronde wordt onderzocht.
De statistieken zouden elke Belgische jurist die in de praktijk met mensenrechten werkt, tot nadenken moeten stemmen.
In 2025 behandelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens 255 verzoekschriften betreffende België. Daarvan werden er 232 niet-ontvankelijk verklaard of van de rol geschrapt. Slechts 23 verzoekschriften werden bij arrest beslecht, in acht arresten.
In 2024 was het verschil nog opvallender: er werden 595 verzoekschriften behandeld, terwijl er 582 niet-ontvankelijk werden verklaard of van de rol werden geschrapt. Slechts 13 werden bij arrest beslecht, in vier arresten.
Die cijfers betekenen niet dat elk verzoekschrift dat is gestrand, had moeten slagen. Zaken kunnen om uiteenlopende redenen van de rol worden geschrapt, onder meer na een minnelijke schikking, en veel verzoekschriften zullen werkelijk niet voldoen aan de vereisten van het Verdrag.
Maar de cijfers doen een belangrijkere vraag rijzen:
Hoeveel mogelijk verdedigbare mensenrechtenzaken worden nooit ten gronde onderzocht, omdat de overgang van de Belgische procesvoering naar Straatsburg verkeerd werd aangepakt?
Die vraag is belangrijk.
Want procederen in Straatsburg volgt een andere logica.
Een advocaat kan een zaak uitstekend voeren voor een Belgische strafrechter, een hof van beroep, de Raad van State, het Grondwettelijk Hof of het Hof van Cassatie, en toch voor een volkomen andere opdracht staan wanneer de zaak naar Straatsburg gaat.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is geen bijkomende beroepsinstantie.
Het vraagt zich niet louter af of de Belgische rechter zich heeft vergist.
Het gaat na of België het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens heeft nageleefd.
Dat vereist een andere manier om het dossier te analyseren, de grieven te selecteren en de zaak uiteen te zetten.
Het sterkste argument voor een Belgische rechter is niet noodzakelijk het sterkste argument in Straatsburg.
Een procedurele onregelmatigheid naar Belgisch recht levert niet automatisch een schending van artikel 6 op. Een zware maatregel schendt niet automatisch artikel 3 of artikel 8. Een verbeurdverklaring schendt niet automatisch artikel 1 van Protocol nr. 1.
De zaak moet worden gereconstrueerd aan de hand van de autonome begrippen, de toetsen en de rechtspraak van het Verdrag.
Dat is gespecialiseerd werk.
Het gevaar is dat fouten in dit stadium onherstelbaar kunnen zijn.
Het kan gebeuren dat een mogelijk ernstige verdragsgrief nooit wordt onderzocht, omdat het relevante nationale rechtsmiddel niet werd uitgeput.
Of omdat de verdragskwestie nooit voldoende voor de Belgische rechters werd opgeworpen.
Of omdat de advocaat wachtte op een nationale procedure die voor de specifieke verdragsgrief geen doeltreffend rechtsmiddel vormde — terwijl de termijn voor Straatsburg al liep.
Of omdat een verzoekschrift het Europees Hof in wezen vraagt de feiten en het nationale recht opnieuw te beoordelen, als een rechter in vierde aanleg.
Of omdat het verzoekschrift niet voldoet aan de strikte procedurevereisten van het Hof.
Dat zijn geen bijkomstige technische details.
Ze bepalen of het Hof de beweerde mensenrechtenschending ooit zal onderzoeken.
Artikel 35.1 van het Verdrag vereist de uitputting van de nationale rechtsmiddelen. In de rechtspraak van het Hof gaat het om rechtsmiddelen die beschikbaar en doeltreffend zijn.
Maar uitputting kan niet zomaar worden herleid tot het bereiken van de hoogst mogelijke Belgische rechter.
Een rechtsmiddel moet doeltreffend zijn voor de specifieke verdragsgrief.
België zelf biedt voorbeelden van hoe belangrijk dat onderscheid is.
In Missaoui en Akhandaf t. België (besl.), nr. 54795/21, 3 september 2024, stelden de verzoekers geen cassatieberoep in nadat een advocaat bij het Hof van Cassatie een negatief advies had uitgebracht. Straatsburg oordeelde dat dit hen, in de specifieke omstandigheden — het Hof van Cassatie had zich nooit over de vraag uitgesproken en de rechtspraak van de lagere rechters bleek uiteen te lopen — niet ontsloeg van het instellen van een cassatieberoep, en het verklaarde het verzoekschrift niet-ontvankelijk wegens niet-uitputting van de nationale rechtsmiddelen.
Toch kan zich ook het omgekeerde probleem voordoen.
Een advocaat kan een rechtsmiddel blijven aanwenden dat Straatsburg voor de verdragsgrief niet vereist acht, en ten onrechte aannemen dat de termijn voor Straatsburg daardoor nog niet is beginnen te lopen.
De werkelijke vraag luidt:
Welk nationaal rechtsmiddel moest voor deze specifieke verdragsgrief worden uitgeput, en wanneer was dat proces afgerond?
Dat is een Straatsburgse vraag.
Wanneer de definitieve nationale beslissing op of na 1 februari 2022 werd genomen, beschikt een verzoeker in de regel over vier maanden vanaf die beslissing om een zaak bij het Europees Hof aanhangig te maken.
Maar het bepalen van die beslissing kan op zich al een analyse in het licht van het Verdrag vereisen.
De chronologisch laatste uitspraak in een nationaal dossier is niet noodzakelijk de uitspraak die de termijn van vier maanden doet ingaan.
Een latere procedure die voor de specifieke verdragsgrief geen doeltreffend herstel kan bieden, stelt de termijn voor Straatsburg niet noodzakelijk uit.
De Belgische zaak Chaaban e.a. t. België (besl.), nr. 57273/16, 12 februari 2019, beslecht onder de vroegere regel van zes maanden, illustreert dat probleem treffend. Zonder cassatieberoep van het openbaar ministerie kon het eigen cassatieberoep van de burgerlijke partijen enkel tot schadevergoeding leiden; het Hof oordeelde dat dit cassatieberoep de termijn, die vanaf 15 maart 2016 liep, niet uitstelde, en verklaarde het op 23 september 2016 ingediende verzoekschrift laattijdig.
Een andere misvatting is dat de voorbereiding van het verzoekschrift voor Straatsburg, zodra de nationale procedure is beëindigd, in wezen administratief werk is.
Dat is niet zo.
De advocaat moet de verdragsgrief bepalen, de uitputting aantonen, nagaan of de grief op nationaal niveau naar behoren werd gehandhaafd, de juiste termijn berekenen, de doorslaggevende feiten en stavingsstukken selecteren en de zaak structureren binnen het procedurele kader van het Hof.
Meer argumenten leiden niet noodzakelijk tot een sterker verzoekschrift.
Meer bladzijden leiden niet noodzakelijk tot een sterker verzoekschrift.
Een zaak in Straatsburg vereist selectie, structuur en strategie.
Voor een nationale rechter was de hoofdvraag misschien:
Was de uitspraak juridisch fout?
In Straatsburg wordt de vraag:
Wat heeft de Staat precies gedaan of nagelaten, welk verdragsrecht was in het geding, welke toets past het Europees Hof toe, en waarom doorstond de nationale reactie die toets niet?
Die verandering van perspectief is fundamenteel.
Procederen in Straatsburg is een afzonderlijke procedurele discipline.
Het hoge aantal Belgische verzoekschriften waarin het niet tot een arrest komt, toont niet aan dat er in België geen ernstige mensenrechtenzaken zijn.
Er is herhaaldelijk vastgesteld dat België verdragsrechten heeft geschonden, en verdragsbepalingen worden geregeld voor de Belgische rechters ingeroepen.
De bezorgdheid ligt elders.
Een mogelijk verdedigbare verdragszaak mag niet verdwijnen voordat ze ten gronde wordt onderzocht, omdat de procedure in Straatsburg als een gewone voortzetting van het nationale geding werd behandeld.
Zodra de relevante nationale procedure is beëindigd, is er mogelijk nog maar zeer weinig ruimte om een fout recht te zetten.
Een overschreden termijn kan niet zomaar worden hersteld.
Een verdragsgrief die nooit naar behoren werd gehandhaafd, valt achteraf misschien niet meer te redden.
Voor de advocaat houdt de beslissing of — en hoe — de zaak naar Straatsburg wordt gebracht, dan ook een aanzienlijke verantwoordelijkheid in.
Daarom verdient de overgang van de laatste nationale procedure naar Straatsburg een afzonderlijke en gespecialiseerde analyse in het licht van het Verdrag.
Just Rights Europe richt zich op die overgang: zaken identificeren die na afloop van de procedure voor de hoogste nationale rechtscolleges een werkelijk potentieel hebben op grond van het Verdrag, en die zaken structureren met het oog op een procedure voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
Een sterke nationale zaak is niet automatisch een ontvankelijke zaak in Straatsburg.
Straatsburg heeft zijn eigen logica. En die logica moet worden begrepen voordat het verzoekschrift wordt ingediend.
Deze analyses vormen algemene informatie over het Verdragsrecht; zij vormen geen juridisch advies en doen geen advocaat-cliëntrelatie ontstaan.
Na de definitieve beslissing van het hoogste nationale rechtscollege kan een dossier rechtstreeks aan ons worden voorgelegd, door de cliënt of door diens advocaat.