Belgische gevangenissen na het CPT-verslag van 2026: wat de vaststellingen betekenen voor procesvoering op grond van artikel 3

Het CPT-verslag dat op 8 september 2026 werd gepubliceerd, beschrijft een verergerende overbevolking, gedetineerden die op de grond slapen en ernstige lacunes in de gezondheidszorg. Het toont op zich geen schending van artikel 3 aan, maar kan krachtig objectief bewijs vormen.

Op 8 september 2026 publiceerde het Europees Comité ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van de Raad van Europa — het CPT — zijn meest recente verslag over België.

Het verslag volgt op een periodiek bezoek van 15 tot 26 mei 2025, waarbij het CPT gevangenissen en forensisch psychiatrische voorzieningen in België inspecteerde.

Zijn vaststellingen zijn ernstig.

Ze komen bovendien op een belangrijk moment voor de Belgische procesvoering op grond van artikel 3.

Een verslechterende detentieomgeving

Het CPT stelde vast dat de Belgische gevangenisbevolking bleef toenemen, ondanks maatregelen die de overbevolking moesten verlichten.

Een toenemend aantal gedetineerden en geïnterneerden sliep op matrassen op de grond.

Velen beschikten over minder dan vier vierkante meter persoonlijke leefruimte.

Het Comité omschreef de overbevolking in de gevangenissen als een al lang bestaand structureel probleem dat de verslechtering van de detentie- en arbeidsomstandigheden versnelde, de spanningen deed toenemen en ernstige moeilijkheden veroorzaakte bij de toegang tot gezondheidszorg en psychosociale dienstverlening.

De voorzitter van het CPT waarschuwde dat de gevolgen van de overbevolking steeds ernstiger werden en dat de verslechterende omstandigheden gedetineerden dreigden bloot te stellen aan onmenselijke en vernederende behandeling.

Dit zijn geen bijkomstige opmerkingen.

Ze betreffen de fundamentele omstandigheden waaronder de Staat mensen van hun vrijheid berooft.

Overbevolking raakt veel meer dan de celruimte

Het belang van het verslag ligt mede daarin dat het aantoont dat overbevolking niet kan worden herleid tot een kwestie van vierkante meters.

Het CPT documenteerde gevolgen in het hele gevangeniswezen.

Personeelstekorten hadden een weerslag op de mogelijkheid van gedetineerden om medische consultaties, terechtzittingen en activiteiten bij te wonen.

Wegens onderbezetting werd de wettelijk vereiste minimale dienstverlening tijdens stakingsdagen zelden gewaarborgd en was die zelfs in normale omstandigheden vaak onhaalbaar.

De tekortkomingen in de gezondheidszorg waren bijzonder ernstig op het vlak van verslavingszorg en psychiatrie.

Het CPT ontving tijdens zijn bezoek in 2025 bovendien meer beschuldigingen van fysieke mishandeling en verbale agressie dan tijdens eerdere bezoeken, en stelde in de bezochte inrichtingen problemen met geweld tussen gedetineerden vast.

Het beeld is dus cumulatief.

Overbevolking raakt de ruimte.

Maar ze raakt ook de gezondheidszorg, de activiteiten, de veiligheid, de verhouding tussen personeel en gedetineerden, de toegang tot diensten en de algemene leefomgeving.

Dat is zeer relevant voor artikel 3.

CPT-normen en artikel 3 vallen niet samen

Er moet evenwel een belangrijk juridisch onderscheid in acht worden genomen.

De vaststelling dat de omstandigheden niet aan de CPT-normen voldoen, betekent niet automatisch dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een schending van artikel 3 zal vaststellen.

Het CPT vervult een preventieve functie.

Zijn taak bestaat erin risico's te identificeren en de behandeling van personen die van hun vrijheid zijn beroofd te verbeteren voordat de omstandigheden het niveau van foltering of onmenselijke of vernederende behandeling bereiken.

Het Europees Hof vervult een andere, rechterlijke functie.

In een individuele zaak beoordeelt Straatsburg of de door artikel 3 vereiste minimale graad van ernst daadwerkelijk werd bereikt.

Beide normen staan dus met elkaar in wisselwerking, maar ze vallen niet samen.

Dat onderscheid is belangrijk omdat het CPT-verslag een individuele juridische beoordeling niet zomaar kan vervangen.

Maar het verslag kan krachtig objectief bewijs vormen

Dat het CPT zelf niet over schendingen van artikel 3 beslist, maakt zijn vaststellingen juridisch niet irrelevant.

Integendeel.

Onafhankelijke toezichtsverslagen kunnen uiterst belangrijk objectief bewijs opleveren over de omgeving waarin een individuele gedetineerde werd vastgehouden.

Stel dat een gedetineerde het volgende aanvoert:

  • ernstige overbevolking;
  • slapen op de grond;
  • ontoereikende privacy bij het sanitair;
  • beperkte bewegingsvrijheid;
  • onvoldoende gezondheidszorg;
  • gebrekkige hygiëne;
  • gebrek aan activiteiten; of
  • langdurige opsluiting.

De nationale rechter moet nog altijd vaststellen wat die persoon daadwerkelijk heeft ondervonden.

Maar wanneer die beweringen overeenstemmen met recente onafhankelijke vaststellingen over hetzelfde gevangeniswezen — of mogelijk dezelfde inrichting — verandert de context.

De beweringen worden dan niet langer in een feitelijk vacuüm beoordeeld.

Het tijdstip is bijzonder belangrijk

Het CPT-verslag werd gepubliceerd amper drie weken nadat het Belgische Hof van Cassatie een belangrijk arrest over artikel 3 en de detentieomstandigheden had gewezen.

Steunend op de rechtspraak van het Europees Hof oordeelde het Hof van Cassatie op 18 augustus 2026 dat het loutere feit dat een toilet in een gedeelde cel niet volledig van de leefruimte is afgescheiden, op zich niet noodzakelijk artikel 3 schendt, maar dat de rechter moet onderzoeken of andere detentieomstandigheden een versterkend of cumulatief effect hebben.

Het Hof vernietigde gedeeltelijk een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Gent, die dat onderzoek niet had verricht ten aanzien van een persoon in voorlopige hechtenis wiens celtoilet enkel door een gordijn was afgeschermd.

Dat maakt de vaststellingen van het CPT bijzonder relevant.

Het CPT merkte zelf op dat de meeste celtoiletten in de bezochte gevangenissen onvoldoende waren afgescheiden en dat dit, in combinatie met andere elementen zoals overbevolking en beperkte tijd buiten de cel, heel goed als vernederende behandeling kan worden beschouwd.

Indien de juridische toets vereist dat rechters de realiteit van de detentie in haar geheel onderzoeken, kan recent onafhankelijk bewijs over overbevolking, personeelsbezetting, gezondheidszorg, geweld en leefomstandigheden een belangrijk onderdeel van de feitelijke context vormen.

Een rechter die de privacy bij het toiletgebruik onderzoekt, kan de overbevolking niet zonder meer buiten beschouwing laten.

Een rechter die de persoonlijke ruimte onderzoekt, kan de duur van de opsluiting niet zonder meer buiten beschouwing laten.

Een rechter die de medische zorg onderzoekt, kan systemische personeelsproblemen niet zonder meer buiten beschouwing laten.

De toetsing aan het Verdrag is individueel.

Maar de omgeving is structureel.

De zorgen over de geestelijke gezondheid zijn bijzonder ernstig

Het CPT uitte ook grote bezorgdheid over gedetineerden met ernstige psychische stoornissen.

Het herhaalde dat personen met ernstige psychische stoornissen, zoals een acute psychose of een zware depressie, in het bijzonder wanneer die gepaard gaan met acute suïcidale intenties, niet in een gewone gevangenisomgeving zouden mogen worden vastgehouden, maar onmiddellijk zouden moeten worden doorverwezen naar een regulier psychiatrisch ziekenhuis of naar een gespecialiseerde psychiatrische voorziening binnen het gevangeniswezen.

Het wees ook op tekortkomingen in de psychiatrische zorg en de verslavingszorg.

Voor procesvoering op grond van het Verdrag kan kwetsbaarheid cruciaal zijn.

Omstandigheden die voor de ene gedetineerde mogelijk onder de drempel van artikel 3 blijven, kunnen voor een andere persoon aanzienlijk ernstiger gevolgen hebben wegens een medische of psychiatrische kwetsbaarheid.

De individuele toestand van de gedetineerde kan dus niet los worden gezien van de omstandigheden waarin de Staat ervoor kiest die persoon vast te houden.

Structureel bewijs en individuele bewijsvoering

Dit brengt ons bij de centrale juridische vraag.

Het CPT-verslag zou niet mogen worden gebruikt om te betogen:

Belgische gevangenissen kampen met structurele problemen; dus wordt elke Belgische gedetineerde automatisch onderworpen aan een behandeling die strijdig is met artikel 3.

Dat zou te ver gaan.

Het sterkere argument luidt:

Wanneer een individuele gedetineerde een concrete en geloofwaardige beschrijving geeft van omstandigheden die onverenigbaar zijn met het Verdrag, kan recent onafhankelijk bewijs van ernstige structurele tekortkomingen die grief wezenlijk versterken.

Dat is een veel preciezer gebruik van het verslag.

Het eerbiedigt het individuele karakter van procesvoering op grond van artikel 3 en erkent tegelijk het belang van de structurele realiteit voor de bewijsvoering.

Belgische rechters zouden deze zaken niet los van het bewijsmateriaal mogen onderzoeken

Het verslag dat op 8 september 2026 werd gepubliceerd, voegt een belangrijk nieuw element toe aan het Belgische detentielandschap.

Het is afkomstig van het gespecialiseerde onafhankelijke toezichtsorgaan van de Raad van Europa.

Het beschrijft aanhoudende overbevolking, gedetineerden die op de grond slapen, onvoldoende persoonlijke ruimte, personeelsproblemen, belemmeringen bij de toegang tot gezondheidszorg, geweld en tekortkomingen in de psychiatrische zorg.

Belgische rechters blijven verantwoordelijk voor het vaststellen van de individuele feiten van elke zaak.

Maar die beoordeling vindt voortaan plaats tegen een gedocumenteerde, actuele achtergrond.

Wanneer een gedetineerde een gedetailleerde grief op grond van artikel 3 aanvoert, kan die achtergrond niet zomaar als irrelevant worden beschouwd.

Van de vaststellingen van het CPT naar procesvoering op grond van het Verdrag

Het CPT beslecht geen zaken.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wel.

Maar beide systemen zijn verbonden door een gemeenschappelijke doelstelling: ervoor zorgen dat vrijheidsberoving verenigbaar blijft met de menselijke waardigheid.

Voor Belgische praktijkjuristen heeft het meest recente verslag dan ook een betekenis die verder reikt dan het gevangenisbeleid.

Het kan een belangrijke bewijsbron worden in nationale procedures en, wanneer de nationale bescherming uiteindelijk ontoereikend blijkt, in een latere procedure in Straatsburg.

De vraag is niet of een CPT-verslag automatisch een schending van het Verdrag aantoont.

Dat doet het niet.

De vraag is of rechters een individuele grief op grond van artikel 3 naar behoren kunnen beoordelen zonder ernstig rekening te houden met recent, onafhankelijk bewijs dat de ruimere omstandigheden beschrijft waarin die persoon werd vastgehouden.

Artikel 3 blijft een individuele juridische toets. Maar de detentie van een individu speelt zich niet af in een feitelijk vacuüm.

Geselecteerde officiële en primaire bronnen

Meer België-analyses

← Alle België-analyses

Deze analyses vormen algemene informatie over het Verdragsrecht; zij vormen geen juridisch advies en doen geen advocaat-cliëntrelatie ontstaan.

Een vraag over de Verdragsdimensie van een Belgisch dossier?

Na de definitieve beslissing van het hoogste nationale rechtscollege kan een dossier rechtstreeks aan ons worden voorgelegd, door de cliënt of door diens advocaat.

Contacteer Ons