Voor de Belgische rechter worden geregeld verdragsargumenten aangevoerd, maar veel zaken houden op wanneer de nationale procedure eindigt. Een verdragsargument dat in België werd verworpen, is niet noodzakelijk een kansloze verdragszaak.
De Belgische hoven en rechtbanken krijgen geregeld te maken met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Artikel 3 wordt ingeroepen in zaken over detentie en verwijdering. Artikel 5 in zaken van vrijheidsberoving. Artikel 6 in strafrechtelijke, burgerrechtelijke en bestuursrechtelijke procedures. De artikelen 8 en 10 komen aan bod in geschillen over het privéleven en de vrijheid van meningsuiting. Artikel 1 van Protocol nr. 1 kan relevant zijn in geschillen over eigendom en vermogensbestanddelen.
Het Verdrag is dus stevig verankerd in de Belgische procespraktijk.
En toch bestaat er een opvallende kloof.
Veel zaken waarin voor de Belgische rechter verdragsrechten werden aangevoerd, houden eenvoudigweg op wanneer de nationale procedure eindigt.
De vraag is of dat voor al die zaken zo zou moeten zijn.
Voor de nationale advocaat vormt een arrest van het Hof van Cassatie vaak het natuurlijke eindpunt van het geding.
De beschikbare nationale rechtsmiddelen zijn uitgeput.
Het arrest is definitief.
Het dossier kan worden afgesloten.
Vanuit het oogpunt van Straatsburg kan hetzelfde arrest echter een heel andere betekenis hebben.
Het kan het moment zijn waarop een nieuwe juridische beoordeling zou moeten beginnen.
De vraag is niet langer:
Staat er nog een Belgisch rechtsmiddel open?
De vraag wordt:
Brengt het dossier een verdedigbare schending van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens aan het licht die nu aan Straatsburg kan worden voorgelegd?
Die vraag hoort thuis in een ander rechtsdomein.
Belgische advocaten roepen voor de nationale rechter geregeld verdragsbepalingen in.
Dat is belangrijk, omdat een grief die voor Straatsburg is bestemd, in de regel op nationaal niveau moet zijn opgeworpen, minstens in wezen.
Maar de loutere vermelding van artikel 3, 5, 6, 8 of een andere verdragsbepaling levert niet automatisch een zaak voor Straatsburg op.
Na afloop van de laatste nationale procedure moet het volledige dossier opnieuw worden beoordeeld.
Welke verdragsgrief is overeind gebleven?
Werd die grief voldoende gehandhaafd?
Wat hebben de nationale rechters daar werkelijk op geantwoord?
Betreft de grief een werkelijke verdragskwestie of louter een meningsverschil over het Belgische recht?
Welke Straatsburgse toets is van toepassing?
Wordt de grief ondersteund door bestaande Europese rechtspraak?
En is de kwestie voldoende ernstig en voldoende onderbouwd om een internationale procedure te verantwoorden?
Dat zijn niet noodzakelijk de vragen die het nationale geding hebben beheerst.
Een van de grootste risico's na cassatie bestaat erin eenvoudigweg de argumenten te herhalen die op nationaal niveau zijn gestrand.
Straatsburg is geen tweede Hof van Cassatie.
Het is in het algemeen niet zijn taak na te gaan of het Belgische recht correct werd uitgelegd.
Een nationaal argument kan daarom een reconstructie vergen.
Een grief over de motivering kan een vraag doen rijzen in het licht van artikel 6.
Een geschil over detentie kan artikel 3 of 5 in het geding brengen.
Een huiszoeking of inbeslagneming kan een toetsing aan artikel 8 vergen.
Een ernstige ingreep in vermogensbestanddelen kan een vraag doen rijzen in het licht van artikel 1 van Protocol nr. 1.
De juridische vraag verandert.
De vraag wordt of de onderliggende feiten binnen de autonome maatstaven vallen die in het kader van het Verdrag zijn ontwikkeld.
Procederen op grond van het Verdrag vergt een andere juridische denkwijze.
Voor zover ons bekend bestaat er geen openbare statistiek die weergeeft hoeveel Belgische uitspraken met verdragsargumenten vervolgens aan een gespecialiseerde Straatsburgse beoordeling worden onderworpen.
Het zou dus verkeerd zijn te suggereren dat elke verloren zaak waarin het Verdrag werd ingeroepen, op internationaal niveau zou moeten worden voortgezet.
Voor veel zaken is dat niet aangewezen.
Sommige grieven zullen geen redelijke kans op slagen hebben.
Sommige zullen op ontvankelijkheidsproblemen stuiten.
In andere zaken zullen de Belgische rechters de verdragsnormen al correct hebben toegepast.
Maar de omgekeerde veronderstelling is even aanvechtbaar:
Dat een verdragsargument op nationaal niveau is gestrand, betekent niet dat de verdragskwestie is verdwenen.
Een zaak kan voor een nationale rechter stranden en toch een ernstige vraag voor Straatsburg doen rijzen.
Belgische procedures blijven aanleiding geven tot procedures voor het Europees Hof.
In 2025 deed het Hof uitspraak over 255 verzoekschriften betreffende België, waarvan er 232 niet-ontvankelijk werden verklaard of van de rol werden geschrapt. Op 1 juli 2026 waren 105 verzoekschriften betreffende België hangende voor een rechterlijke formatie.
Het Europees Hof blijft ook arresten wijzen in Belgische zaken over strafprocedures en het recht op een eerlijk proces, de opvang van verzoekers om internationale bescherming, vrijheidsberoving en andere verdragsvragen.
Er is dus geen reden om aan te nemen dat verdragskwesties ophouden te bestaan louter omdat het Belgische geding zijn institutionele eindpunt heeft bereikt.
Bovendien is er zeer weinig tijd om te beslissen.
Zodra de relevante nationale procedure is beëindigd, laat het Verdrag in de regel slechts vier maanden om een verzoekschrift in te dienen.
Of een zaak potentieel heeft voor Straatsburg, kan dus niet zonder risico pas maanden na de archivering van het nationale dossier worden onderzocht.
Dat zou onmiddellijk moeten worden beoordeeld.
De nationale advocaat hoeft geen raadsman voor Straatsburg te worden.
Evenmin hoeft de internationale advocaat de nationale zaak over te nemen.
Het zijn twee verschillende rollen.
De nationale advocaat kent de cliënt, het bewijsmateriaal, de nationale procedure en het nationale recht.
Procederen in Straatsburg vereist een andere beoordeling: ontvankelijkheid, uitputting van de nationale rechtsmiddelen, handhaving van de grieven, autonome verdragsbegrippen, Europese rechtspraak en een strategische selectie van de grieven die aan het Hof kunnen worden voorgelegd.
Beide fasen vullen elkaar aan.
Maar ze vallen niet samen.
Op die kloof richt Just Rights Europe zich.
Wij willen de nationale procedure niet heropenen en de nationale advocaat niet vervangen.
Het doel is beperkter:
Zodra de procedure voor de hoogste nationale rechtscolleges is beëindigd, nagaan of de zaak nog een Europese mensenrechtelijke dimensie heeft die daar niet zou mogen eindigen.
Een verdragsargument dat in België werd verworpen, is niet noodzakelijk een kansloze verdragszaak.
Soms is het einde van de Belgische procedure precies het punt waarop de zaak in Straatsburg begint.
Deze analyses vormen algemene informatie over het Verdragsrecht; zij vormen geen juridisch advies en doen geen advocaat-cliëntrelatie ontstaan.
Na de definitieve beslissing van het hoogste nationale rechtscollege kan een dossier rechtstreeks aan ons worden voorgelegd, door de cliënt of door diens advocaat.