Huiszoekingen, digitale inbeslagnames en beroepsgeheim in Monaco

Met Bersheda en Rybolovlev kwamen de digitale inbeslagname en het beroepsgeheim in Monaco voor het Hof. Wat nationaal moet worden opgeworpen, en wanneer.

Een huiszoeking heeft vandaag zelden nog uitsluitend betrekking op fysieke documenten.

Een mobiele telefoon, een computer of een digitale account kan jarenlange privécorrespondentie, beroepsmatige communicatie, foto's, financiële informatie en vertrouwelijk materiaal bevatten.

De volledige uitlezing van een digitaal toestel kan de onderzoeksautoriteiten dan ook toegang geven tot informatie die veel verder reikt dan het specifieke voorwerp van het onderzoek.

Krachtens het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens vereisen dergelijke maatregelen adequate waarborgen.

Wanneer advocaten en het beroepsgeheim in het geding zijn, zijn die waarborgen van bijzonder belang.

Bersheda en Rybolovlev t. Monaco

Het Europees Hof heeft deze kwesties rechtstreeks behandeld in Bersheda en Rybolovlev t. Monaco, verzoekschriften nr. 36559/19 en nr. 36570/19, 6 juni 2024.

De zaak betrof onder meer de uitlezing en het latere gebruik van gegevens die waren verkregen uit de mobiele telefoon van mr. Bersheda, advocaat.

Uit de telefoon was een zeer grote hoeveelheid gegevens gehaald, met inbegrip van gewiste informatie.

Het Europees Hof oordeelde dat de onderzoeksmaatregelen verder waren gegaan dan het eigenlijke voorwerp van het onderzoek en dat er onvoldoende waarborgen waren geboden, gelet op mr. Bersheda's hoedanigheid van advocaat en op het vertrouwelijke materiaal dat het toestel mogelijk bevatte.

Het Hof stelde een schending van artikel 8 vast ten aanzien van mr. Bersheda.

De situatie van de heer Rybolovlev lag anders: zijn verzoekschrift werd niet-ontvankelijk verklaard op grond van de hoedanigheid van slachtoffer. De vaststelling van een schending betrof dus mr. Bersheda.

Digitale toegang is geen onbeperkte toegang

Het arrest illustreert een ruimer beginsel.

Het feit dat onderzoekers een toestel mogen onderzoeken, betekent niet noodzakelijk dat zij zonder enige beperking alles mogen doorzoeken wat zich daarop bevindt.

Digitale huiszoekingen kunnen uiterst indringend zijn.

Een telefoon kan duizenden berichten en documenten bevatten die volledig losstaan van het onderzoek. Hij kan ook communicatie bevatten waarbij derden betrokken zijn, materiaal dat door het beroepsgeheim wordt beschermd of zeer persoonlijke informatie.

De toetsing aan het Verdrag kan dan ook vergen dat wordt nagegaan hoe ruim de huiszoeking was, welke categorieën gegevens zijn geraadpleegd, welke waarborgen er waren tegen een ongedifferentieerd onderzoek en hoe doeltreffend de rechterlijke controle was.

De vraag is niet louter of het toestel rechtmatig in beslag kon worden genomen.

Zij betreft ook de wijze waarop de gegevens die het bevatte, zijn doorzocht, geselecteerd, bewaard en gebruikt.

Het beroepsgeheim vereist bijzondere bescherming

De vertrouwelijkheid van de communicatie tussen advocaten en hun cliënten neemt onder het Verdrag een bijzondere plaats in.

Het beroepsgeheim is niet zomaar een interne regel van de advocatuur. Het houdt nauw verband met de rechtsbedeling en met de mogelijkheid voor personen om vrij en vertrouwelijk met hun advocaat te communiceren.

Onderzoeksmaatregelen die betrekking hebben op het kantoor, de telefoon, de computer of de beroepsmatige correspondentie van een advocaat, vereisen dan ook bijzondere zorgvuldigheid.

In Bersheda hechtte het Europees Hof belang aan het feit dat de autoriteiten wisten dat de telefoon toebehoorde aan een advocaat en zowel voor beroepsmatige als voor persoonlijke doeleinden werd gebruikt.

De aanwezigheid van informatie die mogelijk door het beroepsgeheim wordt beschermd, zou dan ook zowel de omvang van de onderzoeksmaatregel als de waarborgen die daarmee gepaard gaan, moeten beïnvloeden.

De nationale procedure blijft doorslaggevend

Een mogelijk verdragsrechtelijk probleem zou niet pas na afloop van de nationale procedure voor het eerst aan de orde mogen komen.

Wanneer een huiszoeking of een digitale inbeslagname vragen doet rijzen over de persoonlijke levenssfeer, het beroepsgeheim, de omvang van het bevel, het onderzoek van materiaal dat losstaat van het onderzoek of de doeltreffendheid van de rechterlijke toetsing, zouden die grieven in de regel voldoende moeten worden opgeworpen voor de bevoegde Monegaskische rechtscolleges.

In Bersheda voerde Monaco voor het Europees Hof aan dat de relevante nationale rechtsmiddelen niet waren uitgeput.

Wat mr. Bersheda betreft, verwierp het Hof die exceptie. Zij had de maatregelen aangevochten voor de nationale rechtscolleges, met inbegrip van de Cour de révision, en die rechtscolleges hadden de gelegenheid gekregen zich over de grond van de grieven uit te spreken.

Dat onderscheid is van belang.

Een Straatsburgse grief is aanzienlijk zwakker wanneer de Europese kwestie tijdens de nationale procedure nooit voldoende naar voren is gebracht.

Michel t. Monaco

Dezelfde kwestie is opnieuw aan de orde gesteld. In Michel t. Monaco, verzoekschrift nr. 39511/22, klaagde de verzoeker over een huiszoeking en een inbeslagname in een advocatenkantoor en over het latere gebruik van gegevens op een in beslag genomen computer. Het verzoekschrift werd op 4 september 2025 aan de Monegaskische regering meegedeeld en deed vragen rijzen onder artikel 8 van het Verdrag.

De zaak heeft niet tot een arrest geleid: het Hof heeft het verzoekschrift op 26 maart 2026 van de rol doorgehaald, met toepassing van artikel 37 § 1, c) van het Verdrag, op grond van een eenzijdige verklaring van de regering, hoewel de verzoeker die verklaring niet had aanvaard.

In die verklaring erkende de regering dat de inbeslagname van alle computer- en telefoonapparatuur van de verzoeker, zowel de beroepsmatige als de persoonlijke, een massaal en ongedifferentieerd karakter had gehad doordat die apparatuur niet voorafgaand aan de beslissing tot inbeslagname op tegenspraak van de verzoeker en van de aanwezige stafhouder was onderzocht, en dat zij mogelijk betrekking had gehad op door het beroepsgeheim beschermde stukken, in strijd met artikel 8. De regering erkende eveneens dat de werkzaamheden die de deskundige later op de in beslag genomen apparatuur had verricht, mogelijk buiten de onvoldoende afgebakende grenzen van zijn opdracht waren getreden, in strijd met artikel 6 § 1 en artikel 8, en bood aan de verzoeker een bedrag van 15.000 euro te betalen. Het verzoekschrift kan opnieuw op de rol worden ingeschreven indien de regering haar verklaring niet naleeft (artikel 37 § 2).

Michel beslist dus niets over de verenigbaarheid met het Verdrag van de aangeklaagde maatregelen, en het zou onjuist zijn te suggereren dat het Europees Hof in die zaak een schending heeft vastgesteld.

De betekenis ervan ligt elders: samen met Bersheda laat zij zien dat huiszoekingen in advocatenkantoren, digitale gegevens en het beroepsgeheim in zaken die Monaco betreffen voor het Europees Hof worden gebracht.

Wat moet worden onderzocht?

Niet elke huiszoeking of digitale inbeslagname levert een schending van artikel 8 op.

De relevante vragen kunnen onder meer de volgende zijn:

  • Was de omvang van de huiszoeking voldoende nauwkeurig omschreven?
  • Ging de maatregel verder dan het voorwerp van het onderzoek?
  • Werden gegevens die losstonden van het onderzoek afdoende beschermd?
  • Waren er door het beroepsgeheim beschermde communicaties tussen advocaat en cliënt in het geding?
  • Waren er voldoende waarborgen omdat een advocaat of een advocatenkantoor betrokken was?
  • Kon de betrokkene de huiszoeking, de inbeslagname of het latere gebruik van de gegevens daadwerkelijk aanvechten?
  • Was er een adequate rechterlijke toetsing?
  • Was de inmenging evenredig aan het nagestreefde legitieme doel?

Digitale onderzoeken maken deze vragen steeds belangrijker, omdat de hoeveelheid informatie op één enkel toestel enorm kan zijn.

Van de definitieve nationale beslissing naar Straatsburg

Huiszoekingen, digitale inbeslagnames en het beroepsgeheim kunnen dan ook verdragsrechtelijke vragen doen rijzen, zelfs wanneer de onderzoeksmaatregel naar nationaal recht formeel was toegestaan.

De Straatsburgse vraag is of de inmenging met voldoende waarborgen was omkleed om de door het Verdrag gewaarborgde rechten te beschermen.

Na een definitieve beslissing van de Cour de révision of, in voorkomend geval, van het Tribunal Suprême onderzoekt Just Rights Europe dergelijke zaken afzonderlijk om na te gaan of de nationale procedure een verdedigbare schending van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens aan het licht brengt en of aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden voor Straatsburg is voldaan.

De ervaring van het kantoor ligt in complexe procedures voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, met inbegrip van zaken over procedurele waarborgen, de persoonlijke levenssfeer en de bescherming van de grondrechten in strafprocedures.

Meer Monaco-analyses

← Alle Monaco-analyses

Deze analyses vormen algemene informatie over het Verdragsrecht; zij vormen geen juridisch advies en doen geen advocaat-cliëntrelatie ontstaan.

Een vraag over de Verdragsdimensie van een Monegaskisch dossier?

Na de definitieve beslissing van het hoogste nationale rechtscollege kan een dossier rechtstreeks aan ons worden voorgelegd, door de cliënt of door diens advocaat.

Contacteer Ons