Een definitieve nationale beslissing in Monaco beslecht de verdragsvraag niet. Met een strikte termijn van vier maanden en zonder Protocol nr. 1 vergt die vraag een eigen, snelle analyse.
Voor een partij die zopas een definitief arrest van de Cour de révision heeft ontvangen, is de eerste reflex vaak het dossier te sluiten. De nationale strijd is gestreden — gewonnen, verloren of iets daartussen. Maar in zaken die raken aan grondrechten kan dat arrest eerder het begin van een andere vraag betekenen dan het einde van het verhaal.
Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is voor Monaco in werking getreden op 30 november 2005. Aangezien Monaco geen lid is van de Europese Unie, neemt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg een bijzonder belangrijke plaats in voor wie een grief op grond van het Verdrag wil aanvoeren. De nationale procedure is misschien afgelopen. De mensenrechtelijke analyse eindigt daarmee niet noodzakelijk. Er blijft een afzonderlijke vraag: doet de uiteindelijke afloop een probleem rijzen in het licht van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens?
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is geen bijkomende beroepsinstantie. Het zal een zaak niet opnieuw beoordelen louter omdat een partij het oneens is met de uitlegging van het Monegaskische recht of met de uitkomst waartoe de nationale rechters zijn gekomen.
Zijn taak is een andere: nagaan of de procedures, maatregelen of beslissingen van de Staat in overeenstemming waren met de door het Verdrag gewaarborgde rechten. Een definitieve beslissing kan dus vragen doen rijzen over het recht op een eerlijk proces, de rechten van de verdediging, het recht op toegang tot de rechter, het privéleven, huiszoekingen en inbeslagnames, hechtenis, evenredigheid of andere waarborgen van het Verdrag.
Niet elke zaak hoort thuis in Straatsburg. Maar het loutere feit dat de nationale procedure is beëindigd, beslecht nog niet de vraag die zich op Europees mensenrechtelijk vlak stelt.
De tijdsfactor is cruciaal. Een verzoekschrift bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens moet in beginsel worden ingediend binnen vier maanden na de relevante definitieve nationale beslissing — en die termijn is strikt.
Zodra de Cour de révision of het Tribunal Suprême de definitieve beslissing heeft gewezen, is het van wezenlijk belang onverwijld na te gaan of er een verdedigbare verdragsgrief bestaat en of aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden is voldaan. Een procedure die op nationaal niveau jaren heeft geduurd, kan uitmonden in een Straatsburgse termijn die in maanden wordt geteld. De valkuilen inzake ontvankelijkheid waarop een overigens sterke grief kan stranden, worden nader besproken in onze volgende analyse.
Monaco heeft Protocol nr. 1 bij het Verdrag nooit geratificeerd. Artikel 1 van Protocol nr. 1 — de bepaling waarop men zich voor het Europees Hof gewoonlijk beroept ter bescherming van eigendom en bezittingen — kan dus niet tegen Monaco worden ingeroepen. Het Hof heeft dat bevestigd in Michaux t. Monaco (besl.), verzoekschriften nr. 36965/22 en nr. 20769/23, 18 januari 2024.
Dat weegt het zwaarst in zaken over verbeurdverklaring, inbeslagnames, bevroren bankrekeningen of andere maatregelen die vermogensbestanddelen raken. Maar het ontbreken van Protocol nr. 1 plaatst dergelijke zaken niet noodzakelijk volledig buiten het Verdrag: afhankelijk van de omstandigheden kunnen andere waarborgen — waaronder de artikelen 6, 7 of 8 — nog steeds van toepassing zijn. De juridische kwalificatie van de grief kan doorslaggevend zijn. Deze vraag wordt grondig behandeld in onze analyse over verbeurdverklaring en bevroren tegoeden.
Er bestaat een reële procedurele kloof tussen de definitieve nationale uitspraak en een eventuele procedure voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Een zaak loopt niet automatisch door naar Straatsburg zodra de Cour de révision of het Tribunal Suprême uitspraak heeft gedaan.
Daardoor worden zaken die ernstige verdragsvragen kunnen doen rijzen, niet altijd op Europees niveau onderzocht. Soms wordt helemaal geen afzonderlijke verdragsanalyse gemaakt. In andere gevallen strandt een verzoekschrift omdat niet naar behoren was voldaan aan de vereisten inzake uitputting van de nationale rechtsmiddelen, ontvankelijkheid of de termijn van vier maanden.
Een definitieve nationale beslissing zou daarom afzonderlijk moeten worden onderzocht, vanuit het oogpunt van het Verdrag. De vraag is niet langer of er in Monaco nog een rechtsmiddel openstaat — wel of de zaak een verdedigbare schending van het Verdrag oplevert en of aan de voorwaarden is voldaan om ze aan Straatsburg voor te leggen.
Het is precies deze kloof waarop het werk van Just Rights Europe is gericht. Het kantoor legt zich toe op complexe procedures voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, met inbegrip van zaken die moeilijke vragen doen rijzen over ontvankelijkheid, uitputting van de nationale rechtsmiddelen en materieel verdragsrecht — juist de vragen die bepalen of een Monegaskische zaak de overstap van de Cour de révision naar Straatsburg al dan niet kan maken.
Na een beslissing van de Cour de révision of, in voorkomend geval, van het Tribunal Suprême wordt elke zaak afzonderlijk onderzocht: is aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden voldaan, rijst er een verdedigbare schending van het Verdrag, en is een verzoekschrift in Straatsburg aangewezen? Wanneer aan die voorwaarden is voldaan, neemt Just Rights Europe de voorbereiding en het voeren van de procedure voor het Hof op zich.
Deze analyses vormen algemene informatie over het Verdragsrecht; zij vormen geen juridisch advies en doen geen advocaat-cliëntrelatie ontstaan.
Na de definitieve beslissing van het hoogste nationale rechtscollege kan een dossier rechtstreeks aan ons worden voorgelegd, door de cliënt of door diens advocaat.