Verbeurdverklaring in Monaco en de verdediging van eigenaars te goeder trouw

Strafrechtelijke inbeslagnames en Europese waarborgen in het licht van de hervormingen van 2026

In Monaco kan een vermogen worden geblokkeerd terwijl de eigenaar ervan niet wordt vervolgd. De bescherming van derden hangt dan af van hun werkelijke mogelijkheid om de maatregel te begrijpen, te betwisten en te laten toetsen.

Op 14 oktober 2026 heeft Monaco het nieuwe aanvullende protocol bij het Verdrag van Warschau van de Raad van Europa ondertekend, een protocol dat ertoe strekt de recuperatie van criminele vermogens te versterken. Deze tekst, die losstaat van Protocol nr. 1 bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, was op 19 oktober 2026 nog niet door Monaco geratificeerd en ook nog niet in werking getreden. De ondertekening ervan vormt dus op zichzelf geen nieuwe wettelijke grondslag om goederen verbeurd te verklaren.1

Dit nieuws ligt in het verlengde van een ontwikkeling die al eerder was ingezet. In de verklaring van 19 juni 2026 wees de FATF op de vooruitgang van Monaco, onder meer op de toename van de inbeslagnames van goederen waarvan vermoed wordt dat zij uit criminele activiteiten afkomstig zijn. De FATF achtte het actieplan in hoofdzaak voltooid, onder voorbehoud van een verificatie ter plaatse. Die vaststelling van doeltreffendheid moet gepaard gaan met een zorgvuldig onderzoek van de waarborgen die worden geboden aan de personen op wier goederen de maatregelen gericht zijn.2

Voor rekeninghouders, echtgenoten, mede-eigenaars in onverdeeldheid en vennootschappen die eigenaar zijn van hun tegoeden, staat er concreet iets op het spel. Hoe vecht men een beslag aan wanneer het onderzoek betrekking heeft op de gedragingen van anderen? Hoe toont men de herkomst van een goed aan als de gegevens die deze herkomst in twijfel trekken, onbekend blijven? En welke toetsing kan men verkrijgen wanneer het verzoek van een buitenlandse autoriteit uitgaat?

Wat naar Monegaskisch recht verbeurd kan worden verklaard

Artikel 12 van het Monegaskische Strafwetboek (Code pénal) vormt de centrale bepaling. Het artikel werd herschreven bij wet nr. 1.559 van 29 februari 2024 en betreft het voorwerp van het misdrijf (corps du délit), de opbrengsten van het misdrijf en de goederen die gediend hebben of bestemd waren tot het plegen ervan. Het voorziet ook, onder voorwaarden, in een verbeurdverklaring van goederen waarvan de herkomst niet kon worden verantwoord en in een verbeurdverklaring bij equivalent. De rechten van de eigenaar te goeder trouw worden uitdrukkelijk voorbehouden.3

Wanneer het misdrijf een vermogensvoordeel heeft opgeleverd en strafbaar is met een gevangenisstraf van ten minste drie jaar, veronderstelt de uitbreiding tot goederen waarvan de herkomst niet is verantwoord, dat de veroordeelde en, indien het om een andere persoon gaat, de eigenaar in de gelegenheid zijn gesteld uitleg te geven over de herkomst van de goederen. Voor bepaalde misdrijven regelt de tekst ook de vermenging van rechtmatige en onrechtmatige gelden, door de verbeurdverklaring te beperken tot de geschatte waarde van de geïnvesteerde criminele opbrengst.3

Die mechanismen vragen om een nauwkeurige analyse van de gehanteerde grondslag. Met de betwisting van de criminele herkomst van een goed is het debat niet noodzakelijk afgerond wanneer wettelijk een verbeurdverklaring bij equivalent in aanmerking komt. Omgekeerd maakt het bestaan van een onderzoek het niet overbodig het toepasselijke mechanisme, de voorwaarden ervan en de rechten van de betrokkenen te identificeren.

Ook moet het beslag, dat ertoe strekt een goed te bewaren of een eventuele verbeurdverklaring veilig te stellen, worden onderscheiden van de verbeurdverklaring, die de eigenaar het goed ontneemt. Het voorlopige karakter van het beslag loopt niet vooruit op de schuld van de eigenaar, noch op de afloop van het proces.4

De hoedanigheid van derde volstaat niet om het goed te beschermen

Het arrest van de Cour de révision van 11 november 2025 biedt daarvan een illustratie. Volgens de officiële kroniek van het Monegaskische opleidingsinstituut voor de gerechtelijke beroepen (Institut monégasque de formation aux professions judiciaires) waren juwelen in beslag genomen bij een bedrijfsleidster die als gewone getuige was gehoord in een gerechtelijk onderzoek wegens witwassen. De Cour de révision oordeelde dat die hoedanigheid niet volstond om het vermoeden waarin artikel 218-4 van het Strafwetboek voorziet, buiten toepassing te laten; de eigen voorwaarden van dat vermoeden moesten worden onderzocht.5

Zij herinnerde er ook aan dat een goed in beslag kan blijven met het oog op een verbeurdverklaring, zelfs wanneer de bewaring ervan niet langer nodig is voor de waarheidsvinding. Die beslissing werd gewezen op een voorziening in het belang van de wet: de vernietiging liet de teruggave die in de zaak zelf was verkregen, onverlet.5

De verdediging moet zich dus richten op het goed en op de voorwaarden van de maatregel, en verder kijken dan alleen de procedurele hoedanigheid van de houder ervan. De akten van verwerving, de financiering, de bankverrichtingen en de stavingsstukken van de inkomsten kunnen doorslaggevend worden. In een familievermogen of een vermogen dat door verscheidene vennootschappen wordt aangehouden, verdient het aanbeveling elk ingeroepen recht afzonderlijk te documenteren.

Artikel 12 vereist dat de derde-eigenaar wiens titel bekend is, of die deze titel tijdens de procedure heeft doen gelden, vóór de verbeurdverklaring zijn opmerkingen kan formuleren, onder meer over zijn goede trouw. Voor de derde wiens titel onbekend was of die deze niet had doen gelden, voorziet de tekst in derdenverzet overeenkomstig artikel 436 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Code de procédure civile).3

In de praktijk komt het erop aan die bescherming daadwerkelijk inhoud te geven. Het verzoek om stavingsstukken over te leggen maakt een nuttige verdediging slechts mogelijk als de betrokkene voldoende begrijpt wat er tegen de herkomst, het bezit of het gebruik van het goed wordt ingebracht.

Een zinvol rechtsmiddel veronderstelt voldoende toegang tot de stukken

Artikel 596-1 van het Monegaskische Wetboek van Strafvordering (Code de procédure pénale) voorziet in een met redenen omklede beslissing tot inbeslagname, in de kennisgeving of betekening ervan aan de betrokkenen, wanneer zij bekend zijn, en in informatie over de bijstand van een advocaat. Het beroep tegen de in die bepaling bedoelde beslissing tot inbeslagname moet worden ingesteld binnen tien dagen na de kennisgeving of betekening ervan. Het heeft geen schorsende werking. Die termijn geldt niet zonder onderscheid voor de andere rechtsmiddelen inzake een teruggave of een verbeurdverklaring.4

Voor de derde die hoger beroep instelt, beperkt deze regeling de toegang tot de stukken tot die welke betrekking hebben op het betwiste beslag. Zij geeft niet automatisch toegang tot het volledige strafdossier.4

De beslissende vraag is welke inhoud daadwerkelijk toegankelijk is. Kan de eigenaar de verdachte verrichtingen identificeren, het verband begrijpen dat met zijn goed wordt gelegd, en de elementen betwisten waarop de rechter zijn beslissing grondt? De vertrouwelijkheid van het onderzoek kan bepaalde beperkingen rechtvaardigen. Hun draagwijdte moet evenwel worden onderzocht in het licht van de concrete verdedigingsmogelijkheden.

Voor de advocaat is het van belang de dienstige stukken nauwkeurig op te vragen, de weigeringen bij te houden en toe te lichten welk argument of welk bewijs zonder die stukken niet kan worden voorgelegd. Een gedocumenteerde kritiek op de procedurele ongelijkheid legt de rechter een vraag voor die hij moet beslechten.

De duur en buitenlandse verzoeken bemoeilijken de verdediging

Een langdurige blokkering van tegoeden vraagt om een onderzoek naar de voortvarendheid van de autoriteiten. In een arrest van 19 februari 2018 beval de Cour de révision de opheffing van het beslag dat sinds maart 2016 op tegoeden lag, en benadrukte zij het gebrek aan spoed in een zaak die een derde raakte aan wie geen enkel misdrijf werd verweten. Dit precedent, dat onder een vroegere regeling werd gewezen, legt geen algemene maximumduur voor beslag vast.6

Een bijzondere moeilijkheid rijst wanneer Monaco optreedt op verzoek van een andere staat. De soevereine ordonnantie nr. 15.457 van 9 augustus 2002, die onder meer in 2024 werd herzien, onderwerpt de tenuitvoerlegging van een buitenlandse verbeurdverklaring aan verscheidene voorwaarden: een definitieve en nog uitvoerbare beslissing, goederen die naar Monegaskisch recht vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, en de bescherming van de rechten van derden. De rechtbank is evenwel gebonden door de feitelijke vaststellingen van de buitenlandse beslissing.7

Artikel 9 van die ordonnantie regelt de opheffing van de bewarende maatregelen strikt. Behoudens een nietigverklaring van het beslag die in Monaco op verzoek van een belanghebbende wordt uitgesproken, en de gevallen van opheffing van rechtswege, hangt die opheffing af van een aanvraag van de verzoekende buitenlandse autoriteiten. De Direction des Services Judiciaires moet hen uiterlijk om de twee jaar bevragen over de handhaving van de maatregel en die vraag na zes maanden zonder antwoord herhalen.7

De beëindiging van de in het buitenland ingestelde vervolging, evenals de definitieve en uitvoerbare weigering van de Monegaskische rechtscolleges om de tenuitvoerlegging van de buitenlandse verbeurdverklaring toe te staan, leiden van rechtswege tot de opheffing van de maatregelen.7

Dit mechanisme schept noch een maximumduur van twee jaar, noch een automatische teruggave bij stilzwijgen van de verzoekende staat. Het doet een praktische vraag van het grootste belang rijzen: welke voldoende snelle toetsing kan de eigenaar tijdens die wachttijd verkrijgen?7

De verdediging moet dan ook de betwisting in de staat van oorsprong coördineren met de rechtsmiddelen die in Monaco openstaan. Er moet worden nagegaan welke autoriteit een einde kan maken aan de blokkering, over welke gegevens zij beschikt en welke beslissing moet worden aangevochten. De vraag naar het daadwerkelijke karakter van het rechtsmiddel moet aan de hand van die elementen worden onderzocht, zonder ervan uit te gaan dat elke internationale samenwerking onregelmatig zou zijn.

De strafrechtelijke schikkingsovereenkomst schept een bijkomend vermogensrechtelijk vraagstuk

Bij wet nr. 1.593 van 18 juni 2026 werd de strafrechtelijke schikkingsovereenkomst (convention pénale) ingevoerd. Voor rechtspersonen en, onder de door de wet bepaalde voorwaarden, voor de natuurlijke personen die bevoegd zijn hen te vertegenwoordigen, kan dit mechanisme inhouden dat ten gunste van de Staat afstand wordt gedaan van in de procedure in beslag genomen goederen of van niet in beslag genomen goederen die geacht worden aan de voorwaarden van artikel 12 te voldoen, wanneer de betrokken misdrijven daarvoor in aanmerking komen. Het berust onder meer op de bijstand van een advocaat, een akkoord en een rechterlijke bekrachtiging.8

De bekrachtigingsbeschikking (ordonnance de validation) houdt geen schuldigverklaring in en heeft niet de gevolgen van een veroordelend vonnis. Zij is onmiddellijk uitvoerbaar en niet vatbaar voor enig rechtsmiddel. Deze regeling moet worden onderscheiden van een verbeurdverklaring die na afloop van een strafproces wordt opgelegd.8

Een dergelijke onderhandeling vereist dus een afzonderlijke analyse van de gevolgen ervan voor het vermogen. Welke goederen zijn erbij betrokken? Aan wie behoren zij toe? Welke rechten van derden blijven bestaan? De toestemming moet betrekking hebben op gevolgen die in kaart zijn gebracht, met bijzondere aandacht voor de draagwijdte van de rechterlijke bekrachtiging.

In Straatsburg moet de verdragsrechtelijke grondslag nauwkeurig worden gekozen

Monaco is sinds 30 november 2005 gebonden door het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het heeft Protocol nr. 1 bij dat Verdrag ondertekend, maar niet geratificeerd. Artikel 1 van dat Protocol, dat de eigendom beschermt, kan dus niet rechtstreeks als grondslag dienen voor een verzoekschrift tegen Monaco. De Europese rechtspraak die uitsluitend op die grondslag is gewezen, kan niet automatisch naar Monaco worden doorgetrokken.9

Het nationale recht behoudt zijn eigen waarborgen, waaronder de bescherming van de eigendom door artikel 24 van de Monegaskische Grondwet. Op Europees vlak kan artikel 6 het proces beschermen waarin de vermogensrechten worden vastgesteld. De toepasselijkheid ervan moet worden aangetoond in het licht van de procedure en het betrokken recht.10,11

In Silickienė t. Litouwen onderzocht het Hof op 10 april 2012 onder het burgerrechtelijke luik van artikel 6 de verbeurdverklaring van goederen van een persoon die geen partij was bij het strafproces. Het stelde geen schending vast, gelet op de concrete verdedigingsmogelijkheden die in die zaak werden geboden. Het Hof oordeelde evenwel dat personen van wie goederen worden verbeurdverklaard, in beginsel formeel de hoedanigheid van partij zouden moeten krijgen in de procedure waarin de verbeurdverklaring wordt uitgesproken. Het ontbreken van die hoedanigheid moet dan worden beoordeeld in samenhang met alle waarborgen die daadwerkelijk beschikbaar zijn. De redenering over een definitieve verbeurdverklaring beslecht op zichzelf echter niet het geval van elk voorlopig beslag.11

Afhankelijk van de feiten kunnen andere waarborgen relevant zijn: artikel 7 wanneer een maatregel onder het verdragsrechtelijke begrip straf valt, of artikel 8 wanneer een werkelijke aantasting van de woning, het privéleven of de correspondentie in het geding is. Artikel 13 veronderstelt een verdedigbare grief ontleend aan een toepasselijk verdragsrecht. Geen van die bepalingen maakt het mogelijk een protocol dat Monaco niet heeft geratificeerd, onrechtstreeks aan het Vorstendom tegen te werpen.12

De zaken-Stewart stellen nu al de vraag naar een daadwerkelijke verdediging

De verzoekschriften in Stewart t. Monaco en drie andere zaken, die op 7 oktober 2025 aan de Monegaskische regering werden meegedeeld, betreffen bankrekeningen die in het kader van strafprocedures werden geblokkeerd. Het Hof heeft de partijen vragen gesteld over de toepasselijkheid van artikel 6 § 1 en, indien dat artikel van toepassing is, over het eerlijke karakter van de opheffingsprocedures, gelet op de weigering om de stukken mee te delen waarop de blokkeringen berusten.13

Het officiële landenprofiel dat het Hof in juli 2026 aan Monaco heeft gewijd, vermeldt ze bij de hangende zaken. Een mededeling stelt geen enkele schending vast en loopt niet vooruit op het antwoord op de vraag naar de toepasselijkheid van artikel 6. Zij brengt niettemin een concrete vraag naar voren: heeft de houder van de tegoeden de redenen voor de blokkering ervan op nuttige wijze kunnen betwisten?13

Voor praktijkjuristen geldt dat de verdragsrechtelijke middelen voor de Monegaskische rechtscolleges moeten worden opgeworpen, ten minste in substantie en met inachtneming van de vereiste vormen en termijnen. Een verzoekschrift in Straatsburg veronderstelt vervolgens de uitputting van de relevante nationale rechtsmiddelen en de naleving van de termijn van vier maanden, waarvan het aanvangspunt afhangt van de relevante definitieve nationale beslissing en van de regels inzake de kennisgeving of de kennisname ervan. Om die beslissing aan te wijzen, is een eigen analyse van de vermogensrechtelijke grief nodig.12

De verdediging van een in beslag genomen vermogen vereist dus dat het geschil nauwkeurig wordt afgebakend: het ingeroepen recht, de grondslag van het beslag, de betwiste elementen, de ontbrekende stukken en de gevolgen van de handhaving van de maatregel. Het Monegaskische debat over verbeurdverklaring moet die daadwerkelijke mogelijkheid tot betwisting de plaats geven die haar toekomt. Voor de eigenaar te goeder trouw bepaalt zij de werkelijke draagwijdte van de waarborgen die in de teksten zijn neergelegd.

Bronnen en referenties

Teksten en publicaties geverifieerd op 19 oktober 2026.

  1. Raad van Europa, persbericht van 14 oktober 2026 over het aanvullende protocol bij het Verdrag van Warschau, CETS nr. 232; Verdragsbureau, verbintenissen van Monaco op 19 oktober 2026. Officieel persbericht · Stand van de ondertekeningen en ratificaties ↩︎
  2. FATF, Jurisdictions under Increased Monitoring, 19 juni 2026, onderdeel Monaco. Publicatie van de FATF ↩︎
  3. Monegaskisch Strafwetboek, artikel 12; wet nr. 1.559 van 29 februari 2024, artikel 31. Geconsolideerd Strafwetboek · Wijzigingswet in het Journal de Monaco ↩︎ a b c
  4. Monegaskisch Wetboek van Strafvordering, artikel 596-1; wet nr. 1.553 van 7 december 2023, artikel 22. Tekst in het Journal de Monaco ↩︎ a b c
  5. Cour de révision, 11 november 2025, dossier nr. 2025/49, voorziening nr. 2025/000049, besproken in de officiële kroniek “L'écho des prétoires”, Monaco Droit, december 2025, p. 36-37. Voorziening in het belang van de wet. Officiële kroniek, pagina 36 · Vervolg, pagina 37 ↩︎ a b
  6. Cour de révision, 19 februari 2018, Monsieur j. AL. c/ le Ministère public, voorziening nr. 2017-18, Legimonaco nr. 16756. Arrest op Legimonaco ↩︎
  7. Soevereine ordonnantie nr. 15.457 van 9 augustus 2002, artikelen 5 tot 7 en 9; wijzigende ordonnantie nr. 10.576 van 29 mei 2024; uitbreiding van de verwijzingen naar verdragen bij ordonnantie nr. 11.863 van 9 april 2026. Geconsolideerde ordonnantie · Hervorming van 2024 in het Journal de Monaco ↩︎ a b c d
  8. Wet nr. 1.593 van 18 juni 2026, bekendgemaakt op 26 juni 2026; Wetboek van Strafvordering, artikelen 38-4, 38-4-2, 38-4-3, 38-4-8 en 38-4-9. Wet in het Journal de Monaco ↩︎ a b
  9. Verdragsbureau, stand op 19 oktober 2026: Verdrag, ETS nr. 005, voor Monaco in werking sinds 30 november 2005; Protocol nr. 1, ETS nr. 009, ondertekend op 5 oktober 2004, niet geratificeerd. Overzicht van de verbintenissen van Monaco ↩︎
  10. Grondwet van 17 december 1962, herzien bij wet nr. 1.249 van 2 april 2002, artikel 24. Officiële tekst van de Grondwet ↩︎
  11. EHRM, Silickienė t. Litouwen, nr. 20496/02, 10 april 2012, §§ 46-50, definitief op 10 juli 2012. Officiële tekst van het arrest (in het Engels) ↩︎ a b
  12. Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, artikelen 6, 7, 8, 13 en 35. Nederlandse vertaling van het Verdrag ↩︎ a b
  13. EHRM, Stewart t. Monaco en 3 andere zaken, nrs. 5221/24, 27765/24, 27966/24 en 29969/24, mededeling van 7 oktober 2025, gepubliceerd op 27 oktober 2025, vragen 1 en 2; landenprofiel Monaco, juli 2026, p. 3. Mededeling op HUDOC (in het Frans) · Officieel landenprofiel van het Hof ↩︎ a b

Meer Monaco-analyses

← Alle Monaco-analyses

Deze analyses vormen algemene informatie over het Verdragsrecht; zij vormen geen juridisch advies en doen geen advocaat-cliëntrelatie ontstaan.

Een vraag over de Verdragsdimensie van een Monegaskisch dossier?

Na de definitieve beslissing van het hoogste nationale rechtscollege kan een dossier rechtstreeks aan ons worden voorgelegd, door de cliënt of door diens advocaat.

Contacteer ons